Publicaties‎ > ‎

The Bad Plus & guests

The Bad Plus & guests, Bimhuis Amsterdam, 17 april 2015

Spelen zij geen overrompelende versies van werk van Nirvana of Bowie, dan komen zij wel met een ongekende uitvoering van Igor Stravinsky's Le sacre du printemps. The Bad Plus weet altijd weer te verrassen en het niveau is daarbij onverminderd hoog. De band bevindt zich aan de top van de jazz, hoewel dat door sommigen wordt betwist. Dat geldt niet de kwaliteit of de positie, maar de aanduiding 'jazz'. Zelf vinden ze zich welzeker een jazzgroep, maar dan wel een van de buitencategorie.

Erudiet als ze zijn, maken de drie leden van het gezelschap zich telkens weer nieuwe disciplines eigen, met meestal slechts de beperkte bezetting van een pianotrio. Dat pianist Ethan Iverson een spraakmakende blog beheert die dient als platform voor musici, filosofen, politici en beeldend kunstenaars, getuigt van bevlogenheid, zeker als je weet dat hij vrijwel dagelijks voor nieuwe publicaties zorgt. In het vliegtuig of in de bus tijdens het vele toeren wijdt hij zich aan zijn bespiegelingen. Noem hem vooral geen bandleider, want bij The Bad Plus is het hele muzikale proces gedemocratiseerd. Door bassist Reid Anderson en drummer David King weg te zetten als louter de ritmesectie, doe je ze tekort.

Vanavond in het Bimhuis brengt het stel een ode aan het album Science Fiction uit 1971 van de grote jazzvernieuwer Ornette Coleman. Het is niet diens bekendste werk, maar evengoed een roemruchte klassieker, en bevat voldoende uitgangspunten voor interessante experimenten. Die gaat het trio aan met gasten Tim Berne en Sam Newsome op saxofoon en trompettist Ron Miles. De bezetting van het origineel wordt daarmee enigszins benaderd, zeker niet gekopieerd. Het programma past in een nieuwe tendens, waarbij monumenten uit de jazzgeschiedenis een heruitvoering krijgen. Binnenkort komt A love supreme (John Coltrane) door Branford Marsalis uit en door anderen werd Kind of blue (Miles Davis) noot voor noot nagespeeld. 

In het Bimhuis blijft The Bad Plus dicht bij het origineel, hoewel vooral de géést van Coleman rondwaart. Hij is weliswaar grondlegger van de freejazz, maar helemaal vrij is de muziek niet: er wordt soms van bladmuziek gespeeld, waarbij duidelijk structuren hoorbaar zijn, door de blazers worden af en toe unisono thema's gespeeld en er zijn kant en klare songs en poëzie. Ook in de improvisaties klinkt de typische hand van de grote meester.

De blazers geselen het publiek met dissonanten en boventonen, terwijl het basistrio hen continu haast letterlijk in de rug staat te porren met onontkoombare noten. Dit is de muzikale equivalent van Karel Appel in zijn wildste dagen. Deze muziek roept, nee, schreeuwt om respons: ofwel radicale afwijzing, ofwel innige omhelzing. Beide kampen zijn het over één ding eens: dat deze muziek confronteert. En dat is een belangrijke functie van relevante kunst.