Publicaties‎ > ‎

Craig Taborn

Interview Craig Taborn, pianist, componist, april 2017

Niemand heeft het meer over Brad Mehldau, iedereen praat over Craig Taborn. Het is heel goed voor de jazz dat er artiesten opstaan als Shabaka Hutchings, Kamasi Washington, Donny McCaslin en Thundercat, maar geen van hen bepaalt de stand van zaken zozeer als de pianist uit Minnesota. Bij zijn concerten dagen er drommen pianisten op die hem als voorbeeld en idool beschouwen. Het genie zelf blijft er bescheiden onder.

Grote artiesten kunnen vaak grote eisen stellen. Keith Jarrett wil zich alleen laten interviewen door journalisten die zijn hele oeuvre uit hun hoofd kennen en minstens enkele tientallen keren zijn concerten hebben bezocht. Branford Marsalis wilde zich wel door een interviewer van Jazzism laten bevragen, maar het mocht per se niet over Sting gaan. Al Jarreau wilde het juist vooral over zijn vriend George Duke hebben. Taborn wordt enorm afgeschermd en is moeilijk benaderbaar voor journalisten en fans. Hij staat er niet om bekend dat hij de pers graag te woord staat. Dat hij geen eigen website heeft en niet actief is op sociale media is tekenend. Een live interview was sowieso moeilijk te realiseren en na veel tijd en moeite zou er een telefonisch gesprek plaatsvinden, wat herhaaldelijk niet doorging. Uiteindelijk zou de pianist een aantal schriftelijke vragen per e-mail beantwoorden. Dat bleef dan wel hoofdzakelijk beperkt tot het behandelen van vragen over zijn nieuwe album Daylight ghosts. 

Nu is dat een heel goed onderwerp, want het betreft een geweldig album, waarop de talenten en kwaliteiten van Taborn optimaal tot hun recht komen. Het is uitgekomen op ECM Records en uiteraard geproduceerd door Manfred Eicher zelf. Taborn speelt hierop piano en elektronica, naast Chris Speed op rieten, Chris Lightcap op contrabas en basgitaar en Dave King van The Bad Plus op drums en elektronische percussie. Met Lightcap en King speelde de pianist al vele jaren eerder. Taborn: "Ik hecht veel waarde aan langlopende creatieve relaties, zoals met Chris en Dave. Daarnaast ben ik erg enthousiast over de opkomst van veel jonge musici in het circuit. Aan hen wil ik me ook graag verbinden. Dat gaat dit jaar met enkelen van hen ook gebeuren, ik vind het best wel opwindend om nieuwe muzikale relaties aan te gaan. In de vaste groepen waarin ik speel neig ik er echter toe om te werken met musici die ik goed ken en met wie ik een breed scala aan ervaringen deel."

Taborn speelt op zijn beurt in Chris Lightcap's Bigmouth, waarmee hij begin dit jaar door Europa toerde. Hij is ook actief in de band Prism van Dave Holland en zit in het New Yorkse trio van drummer Ches Smith, die furore maakte bij Marc Ribot. Mat Maneri speelt daarin altviool. Dan is er zijn fenomenale performance als solopianist en alsof dat allemaal niet genoeg is, heeft hij ook nog zijn eigen trio. "Ik heb zelfs nog meer projecten in petto. Het lijkt alsof er een soort ontwikkeling is in mijn bezettingen, van solo naar trio naar kwartet, maar in feite had ik alles al langere tijd in mijn hoofd. Toch heb ik wel steeds gezocht naar logische volgende stappen en zag daar ook wel een uitdaging in. In de praktijk heb ik ook wel projecten gedaan die puur uitstapjes waren. Dat geldt ook voor mijn optreden op North Sea Jazz dit jaar, waar ik samenspeel met McCoy Tyner en Gerri Allen."

"Voor Daylight ghosts had ik al materiaal liggen dat ik veel eerder had geschreven, en het bevat ook songs die specifiek op het kwartet zijn gericht. Een belangrijk deel kwam tot stand tijdens de repetities voor de opname, gedurende de week in de studio. Met het kwartet hadden we ook al live gespeeld op het Monterey Jazz Festival in Californië en hebben we ook een behoorlijk uitgebreide tournee gedaan in Europa. Vlak voor en zelfs tijdens de opname van Daylight ghosts hebben we nog in de Jazz Gallery in New York gespeeld. Dat gaf wel enige stress, maar het voorzag de opname ook van een zekere energie. Studio's kunnnen nogal steriel zijn en dat kun je van je afschudden als je hetzelfde materiaal 's avonds live in een club speelt. Sowieso maak ik er een gewoonte van om songs vooral veel op het podium te spelen, voordat ik ermee de studio induik voor een opname, dan kun je echt een groepsgeluid ontwikkelen."

Daylight ghosts is vooral een uiting van Taborns eigen, zeer uitgesproken idioom, maar is ook te herleiden tot invloeden van avant-gardisten als Cecil Taylor, Anthony Braxton en Henry Threadgill. De pianist heeft ook connecties met het minimalisme. Op het album klinken daarnaast Arabische klanken en ritmes door. "Ik heb zeker genegenheid en liefde voor die muziek, hoewel ik er geen speciaal onderzoek naar gedaan heb of er studie van gemaakt heb. Maar ik luister veel naar Noord-Afrikaanse muziek. In het algemeen wil ik niet bewust een bepaald ritme of een bepaalde stijl uit een specifieke cultuur gebruiken. Liever ontwikkel ik iets dat losstaat van enige vaststaande referentie. Op Daylight ghosts  gebruik ik ook elektronica, maar op een subtiele manier, die past in de werkwijze van ECM. Ik integreer graag akoestische en elektronische instrumenten op een manier waarbij het niet duidelijk is waar het een begint en het ander stopt. Dave met zijn elektronische drums en ik mixen alle sounds samen, waarbij ook de ruimte waarin de opname plaatsvindt van belang is. Live maken we met het kwartet nadrukkelijker en agressiever gebruik van elektronica."

Als je Taborn in zijn eentje aan de bar van het Bimhuis ziet staan, is hij niet bepaald nadrukkelijk aanwezig en allesbehalve agressief. Hij heeft er dan een soloconcert opzitten, waarvan iedereen zich bewust is dat het briljant was , behalve hijzelf. Het siert de man.